Vers werk
(in progress!)
WERKPAARD
de jaren in zijn benen
maar de kracht nog
in alle vormen gespannen
loopt hij, reeds op afstand
een leven lang trouw
het koningsbloed verzwegen
met inwaarts gedragen trots
van ons af
in de rechte hoeken van zijn passen
geeft de verzachte zon
zijn onvolstreefde waarde
een stem
de linkerhoef achter blinkt
een gouden ontsluiting
in een statig saluut
naar wat eeuwig is
zonder woorden
draaien of dromen
verworven
| |
Werk
LUID
als een sneeuwbal
reikt een vertrouwd geluid
omhoog langs het gebouw
vervormd het, nu luider
en koud
klankkleuren scheiden zich
tot eenvoudige toetsen
ladder van gevoelens
die de wind bespeelt
met vingers van herinnering
een moment
staan jouw ogen
weer in mijn ogen
resonerend met wat
in de strengen tijd
versleuteld lag
EILAND
met warm zwart
ritste onze boot
het land dicht
brak het bonte kralenspoor
het verborgen patroon
van opgesloten kleuren
in het stille sleuren
van dag aan dag, aan dag
met het eerste licht
waren wij binnen
waren we een
één lichaam in zee
vervreemd en losgeweekt
van moeder, van kind
LEVENSVELD
stiller de kamer
niet meer van mij
van de nacht nu
alsof donker
muren en deuren
ontslaat van hun kracht
op zachte muziek
ontvouwt zich een veld
in denken
voorbij mijn zicht
in gras ruig als een hondenvacht
lopen mijn herinneringen kniediep
de meesten kennen elkaar niet
maar allen hebben hun spel
stromen soepel
door en zonder elkaar
als een middag in het park
badend in licht
niet van de zon of maan
hun ogen mooier gekleurd
hoe vaker ik ze
bega
BLOEDVERBAND
door witte nevel aaneengesloten
lig ik mij te vergroten
met elke druppel die mijn woorden vat
legt mijn wezen meer afstand af
grondgebied wordt grensgebied
de wanden tussen dag en nacht
permeabel voor jou, mij, wij
die op de grootste afstand
trachten te delen, te leven
in het zuiverst dienend
bloedverband
DIAGRAM
wij, eilanden, onbewoonden op drift
in kalme zweefvlucht in open water
onze blik op de sterren voor altijd
onontcijferbaar
deze nummertekening, het
gezicht van de grote kracht
die ons en alles beweegt
onze vingers reiken uit
duwen elkaar omhoog
tot een dubbele palmdruk
tot een bergrug, getekend
een eeuwigheid ontketend
de grilligheid, een diagram
van een leven op stille hoogtes
waar we zo kortstondig waren
maar geen hart is hier bestand
VUURTOREN
Is er een toren
in dit turen
op dit uur?
een hoop, een vuur, een lijn
loodrecht op al het andere
dat voorover gevallen lijkt
in plassen zonder hemelen kijkt
door de tanden van wind in repen
gescheurd
wij wensten ons daarboven
fietsten erop te geloven
dat dit een huis bood
voor het huilende licht in
warme en verblinde armen
door de ander
zó dichtbij
dat scherp werd
alles onbelangrijk
de handen op ramen
koud en dood hierbuiten
onze vuurtoren
geen afhouder
maar een lokker
een locker
voor wat in ons
verbannen ligt
AVONDMIST
In de ruimte boven de daken
hangt een nevel als een vuist
met in het zacht gebalde
het licht gevangen
het net van druppeltjes
laat zien dat alles gloeit
niet weg is, of kan
misschien daarom
is het nachtelijk stil
zwijgt immer de tijd
men voelt
wat we zeiden
wat we dachten
het is hier nog
het licht wordt
het gewicht
van wat we niet
gedragen willen
SNEEUW
ons hele bewegen
ligt in bezit genomen
gedwongen zacht te dromen
onder de luchtige dwang
van de witte ontregeling
welkom maakt zij ons weg-
wijs, licht en stil
ontinkt ze
de paperassen jas
even roerloos blinkt
de pianodeksel’n plas
hoor! middennachts klinkt
een kleine, heldere glimp
van een morgenzoete
vergetelheid
zou de tijd
ons dan ooit
nog laten gaan?
BEAT
de wind is gaan liggen
alsook de dwaalslag
naast mijn hartslag
of deze kreeg weer
beat
de maan kijkt me aan
met een half gezicht
zijn duistere kant stil
verdonkerd gebied
het is in deze ene helft licht
dat ik mezelf ver-een-igd zie
gedood en verstomd nu, de ander
en zijn zenuwrakend
schaduwlied
in de verte staat een toren
opgericht, als in mijzelf
een levend monument
voor hem, een end
een erkenning
een stalen vinger op
de afgedreven wond
VERGEETSCHOT
waar is de tijd
om te bewaren?
hoe vaak komt zij
nog onbezoedeld los?
hoe vaak kan ik haar nog spelen
herinneringsgewijs?
met welk doodlijke ritme
van de daaglijkse dingen
wordt mijn beeldenveld
van haar ontbost?
hoe lang nog
loop ik onder de zon
tot hij, de warmhartige
uitgeblust en uitgeleend
zijn geliefde kleuren weer claimt
hoe lang nog
tot het vergeetschot klinkt?
STAD
straten rusten
zonder dat dat het regent
ligt alles onder een laagje nat
mensen schuilen
zonder dat het tekent
trilt een treurnis door de stad
in de navel van de avond
staart een ieder voor zich uit
geeft het lichaam nog antwoord
op de mensenoude vraag
die in de hartenruis
van alle slagen te samen
in het verstikkende zwijgen
van dit verzinken ligt?
MAANZIEK
in de schijn van de maan
is niets meer werkelijkheid
je vederwitte gezicht
in raadselen gekuild
trekt me naar het raam
met een neus plat
op deze koude plak
voel ik de afstand
van wat was
en over lichtkracht ligt
ik dacht je te kunnen spreken
door op te blijven
door je zwijgen
te vergeven
maar het lijkt te ver
te ver geleden
TIJD
deze tijd omsluit
mij als een dode huid
om mijn handen het strakst
de vingers nu
hebben geen afdruk
geen tekening op
de beslagen ruit
geen streling, geen geluid
snijdt in het leven
AVOND
aan de rand van de avond
staat in mij gespannen
een boog vertrouwen
ik kan alles
sist het scherpe donker
het kruipt op mij af, sluipt
kil als de sterren mij voorbij
een tijdsvreemde tijger
op jacht
hij zal terugkomen en mij
de buit voor de voeten werpen
ik, met de rug naar de dag
en mijn botte tanden
zal eten, verslinden
het galgenmaal, het einde
van mijn zachte mijden
dat ik alles kan
kan maken
stut het felle donker
VELD
als ik de huid verkoop
zoals hij geschoten is
voel ik mij nog schuldig
maar ik ben het niet
die met waterverf
de schutting schildert
soms zijn de dagen
als ze zijn
en is de glinster
in bloed vergoten
gaan diamanten
van hand tot hand
zonder vrij te kopen
hij, ik
die hier zo lang al
zo slecht slaapt
ieder nieuw kussen
met eigen adem
opgeblazen
wuift de avond
dralende leeg
het deken van haar
vertrekt mij naakt
HALFLING
in het halflicht
zie ik mij, een halfling
met een zegen geslagen
met een vloek versierd
het zijn de vormen
de vertes in ’t halfdonker
die hun contouren afdoen
zich overgeven als soldaten
met de brieven van trouw
vedronken in hun zak
het licht loopt uit de schoenen
en rond de zielzwarte plas
flard muziek, flirt muziek
mysterieus en helder
met een voet in de nacht
en een arm in de dag
voel ik mij vergeten
de uilen maken mij niet warm
en de mensen laten me koud
NIETS
zwaarden van licht steken
door het wolkendeken dicht
langzaam vaart het voorbij
als aangestampte weken
langzaam hier vandaan
een zachte wind
waait van ver
naar verder
wat valt er te denken?
te vinden?
niets
zonder tijd ook
blijft alles draaien
alles waaien
wij zijn gek om stil
om alleen elkaar
te zien, te blijven
staan
•
wij, waterreuzen
thuis in alle wereldzeeën
van binnen weten wij de weg
de onnavolgbare kilometers
naar elk nieuw begin
geluk is niets, maar het beste
geen patroon van gestes
maar een beider trouw
aan wat onomstotelijk wordt
de tocht is reeds het geluk
maar dat weten (en vergeten) we pas
als we aankomen en
de krill rijkelijk vloeien zal
onze lichamen spreken
met elkaar en de signalen
dragen verder in dit diepe
het zenden en ontvangen
licht ons op
we worden lichthuizen, sterren
bakens in het duister gelegd
gezellen in een queeste
handvaten aan de leegte
die dus toch een einde,
een bestemming heeft
•
de wolken
klonteringen tijd
drijven als levens voorbij
zo vol en toch zo luchtig
zag je het leven voor je
je stem is beven
een scheur in de schaterlach
als een kind sta je in de hoek
niet voor wat je deed
maar wat je doet
DROOM
hoe kan de droom vertrekken?
nu eindelijk alle registers van
haar bedwelming zijn doordrenkt
en de slaap niet uit dit lichaam trekt
zo de morgen dit huis vergeet
nu de berg
in deze droom
naar míj gekomen
aan het raam staat
WINDSTILTE
de windstilte verstikt de kansen
op een bestemming, waar het
landen me dronken voert en
vrouwen lachen als voeten
in schoenen net uit de schaatsen
de kille verte is geen haven meer
maar een duisternis dat
het ademen omfloerst
met het diepzwartste slijm
mijn ogen zakken
als verslagen zonnen
in het verzwelgende water, ik weet
deze betongrijze zee neemt niemand
bij de hand
dit stuurloze vluchten houdt niemand
in de hand
STALE
laag en bleek als de maan
staat het vuur dat we dragen
in ons bloed, lang geleden vermengd
de eens zo vertrouwde zinnen rijgen nu
ongewoon koude stiltes aan elkaar
ver weg ligt
het negatief van onze vriendschap
onopvraagbaar vermolmd
in het archief van de tijd
in deze tere toestand
poken we met onze woorden
in samen beleefde momenten
pogen de gloeiende hoop
iets op te laten laaien, om ons
met de harten in het zand
te warmen aan weleer
VELD
In het open veld van de morgen
staan wij, de zwanen, als koningen
te wit, te groot, om niet eenzaam te zijn
in een sierlijk reikhalzen
vinden we alle modderdijken
voor ons alleen
trotser dan we zijn
worden we begrepen
en zijn we een wezen, los
de vermenging, de ontmoeting
voorbij
de morgen ontsluiert de droom
die nog over het grasgroen lag
de droom van een leven
levend met de dag
met hoge gieren vlucht
de vrije wind langs ons heen
om maar niet aanwezig te hoeven zijn
bij het verstandshuwelijk
van dit gutsend hart
met de betonnen dag
END
heb ik wat je nodig hebt?
heb ik wat ik nodig heb?
zei ik al dat
het bed geroofd
het huis verkocht
het land genomen is?
ik putte het laatste water
uit de vleesdikke modder
en zag het laatste later
op een gescheurde poster
aan de bijna geslechte muur
de muur tussen de wind
vol slangende klanken
en een leven getracht
te conserveren
heb ik wat je nodig hebt?
heb ik wat ik nodig heb?
of spelen we een schaduwspel
in het eeuwenoude licht van een
in brokken vertrokken zon en
is het geluid van haar handkus
de klap, ons afscheid
al jaren onderweg?
VAART
met een embargo op het afscheid
stappen we langs de mensen
de gissende kroeg uit
de serene nacht in
iedereen zij vergeven
het is moeilijk lust te tonen
met zoveel spullen in je maag
je redde mij
je bette mijn voorhoofd
met de zachte druppels licht in je lach
een vriendschap, een verbond
in daden en steeds minder
in woorden
we varen morgen
op zoek naar het miraculeuze
met een oogstrelend vertrouwen
uit het land der blinden, richtingen
omhuld door vreugdetranen mist
omdat alles nieuw mag
STRATEN EN WEGEN
dezelfde straten met
de grijstinten stenen
een koude puzzel
nullen en eenen
op deze versleten en
geprogrammeerde wegen
kom ik je weer tegen
(de staart tussen de benen)
in een stille zucht
ruilen we onze ogen;
glazen schuddebollen
met bevroren taferelen
van dagen vergleden,
vertrokken, verdwenen
ons beider zwijgende ogen
eenzelfde soort winkelruiten
ze spellen met sneeuwwitte letters
‘opheffingsuitverkoop’
STATION
hoewel de dingen me dierbaar zijn
en de mensen, naast slecht
ook zo goed
hoewel ik dit gewild heb steeds
en graag onderweg ben
zo ver, zo goed
toch vertellen de 4D luchten
niets van hier en straks
maar van daar
daar waar ik de dagen droom
als clichés van landen
waar ik niet geboren ben
als routines van tijden
die ik niet van voren ken
en in de weerschijn van
de diepdode seinen
vergeet elk gezicht
het mijne
•
al die vreselijke papieren
verbranden als mieren
onder mijn ogen;
de brandpunten
van de hartekooi
die deze volwassenheid is
want
buiten is de avond geboren
met kleuren uitverkoren
om als voor het eerst
te worden gezien
te worden gedragen
door de binnenvormen
van de kleine lettertjes
blaas ik me een rookgordijn
om te verdwijnen
in een weerzin
die ik niet begrepen wil
SMELTWATER
alles was bevroren
zo ook de strenge tijd
zoals altijd, als iets goed is
in deze witte wereld
was alles weer nieuw en
een grote onbezorgdheid
klom in mij
nestelde als een luiaard
gemaakt, om eeuwig
te blijven hangen
iedereen zoekt, maar
wil geen genade vinden
dus alles smolt en vuilde
terug naar het sleetse grijs
de kleur van routine
laat ons daarom gaan
naar de nieuwe rivier
en de ontdooide wonden
wassen, afgooien, meegeven
aan al dit water onder de brug
LEEG
word ik nog weleens leeg?
leeg
zodat ik vol kan stromen
met alle zoete daadkracht
uit mij neergelegd
loop ik nog weleens vol?
met mijn eigen bloed vergeten
zoals het onvermoeibaar spatte
tegen alle lede ogen steeds
stijg ik nog weleens op?
breek ik met de stenen
aan mijn koude voeten?
door het water gevonden en
gespleten
het heldere water uit de dagen
van het onvermengde luisteren
naar de mannenkoren
van het hart
|
Site voor de poëzie
van Peter Korsman |