NIEUWS
GEDICHTEN
  PUBLICATIES
INFO
 
  CONTACT
LINKS
 


Vers werk
(in progress!)



wij, waterreuzen
thuis in alle wereldzeeën
van binnen weten wij de weg
de onnavolgbare kilometers
naar elk nieuw begin

geluk is niets, maar het beste
geen patroon van gestes
maar een beider trouw

aan wat onomstotelijk wordt
de tocht is reeds het geluk
maar dat weten (en vergeten) we pas
als we aankomen en
de krill rijkelijk vloeien zal

onze lichamen spreken
met elkaar en de signalen
dragen verder in dit diepe
het zenden en ontvangen
licht ons op
we worden lichthuizen, sterren
bakens in het duister gelegd

gezellen in een queeste
handvaten aan de leegte
die dus toch een einde,
een bestemming heeft
  Werk




de wolken
klonteringen tijd
drijven als levens voorbij
zo vol en toch zo luchtig
zag je het leven voor je

je stem is beven
een scheur in de schaterlach
als een kind sta je in de hoek

niet voor wat je deed
maar wat je doet


DROOM

hoe kan de droom vertrekken?
nu eindelijk alle registers van
haar bedwelming zijn doordrenkt
en de slaap niet uit dit lichaam trekt
zo de morgen dit huis vergeet

nu de berg
in deze droom
naar míj gekomen

aan het raam staat


WINDSTILTE

de windstilte verstikt de kansen
op een bestemming, waar het
landen me dronken voert en
vrouwen lachen als voeten
in schoenen net uit de schaatsen

de kille verte is geen haven meer
maar een duisternis dat
het ademen omfloerst
met het diepzwartste slijm

mijn ogen zakken
als verslagen zonnen
in het verzwelgende water, ik weet

deze betongrijze zee neemt niemand
bij de hand
dit stuurloze vluchten houdt niemand
in de hand


STALE

laag en bleek als de maan
staat het vuur dat we dragen
in ons bloed, lang geleden vermengd

de eens zo vertrouwde zinnen rijgen nu
ongewoon koude stiltes aan elkaar

ver weg ligt
het negatief van onze vriendschap
onopvraagbaar vermolmd
in het archief van de tijd

in deze tere toestand
poken we met onze woorden
in samen beleefde momenten

pogen de gloeiende hoop
iets op te laten laaien, om ons
met de harten in het zand
te warmen aan weleer


VELD

In het open veld van de morgen
staan wij, de zwanen, als koningen
te wit, te groot, om niet eenzaam te zijn

in een sierlijk reikhalzen
vinden we alle modderdijken
voor ons alleen

trotser dan we zijn
worden we begrepen
en zijn we een wezen, los
de vermenging, de ontmoeting
voorbij

de morgen ontsluiert de droom
die nog over het grasgroen lag
de droom van een leven
levend met de dag

met hoge gieren vlucht
de vrije wind langs ons heen
om maar niet aanwezig te hoeven zijn
bij het verstandshuwelijk
van dit gutsend hart
met de betonnen dag


END

heb ik wat je nodig hebt?
heb ik wat ik nodig heb?

zei ik al dat
het bed geroofd
het huis verkocht
het land genomen is?

ik putte het laatste water
uit de vleesdikke modder
en zag het laatste later
op een gescheurde poster
aan de bijna geslechte muur

de muur tussen de wind
vol slangende klanken
en een leven getracht
te conserveren

heb ik wat je nodig hebt?
heb ik wat ik nodig heb?

of spelen we een schaduwspel
in het eeuwenoude licht van een
in brokken vertrokken zon en
is het geluid van haar handkus
de klap, ons afscheid
al jaren onderweg?


VAART

met een embargo op het afscheid
stappen we langs de mensen
de gissende kroeg uit
de serene nacht in

iedereen zij vergeven
het is moeilijk lust te tonen
met zoveel spullen in je maag

je redde mij
je bette mijn voorhoofd
met de zachte druppels licht in je lach
een vriendschap, een verbond
in daden en steeds minder
in woorden

we varen morgen
op zoek naar het miraculeuze
met een oogstrelend vertrouwen
uit het land der blinden, richtingen
omhuld door vreugdetranen mist
omdat alles nieuw mag


STRATEN EN WEGEN

dezelfde straten met
de grijstinten stenen
een koude puzzel
nullen en eenen

op deze versleten en
geprogrammeerde wegen
kom ik je weer tegen
(de staart tussen de benen)

in een stille zucht
ruilen we onze ogen;
glazen schuddebollen
met bevroren taferelen
van dagen vergleden,
vertrokken, verdwenen

ons beider zwijgende ogen
eenzelfde soort winkelruiten 
ze spellen met sneeuwwitte letters 
‘opheffingsuitverkoop’


STATION

hoewel de dingen me dierbaar zijn
en de mensen, naast slecht
ook zo goed
hoewel ik dit gewild heb steeds
en graag onderweg ben
zo ver, zo goed

toch vertellen de 4D luchten
niets van hier en straks
maar van daar
daar waar ik de dagen droom

als clichés van landen
waar ik niet geboren ben

als routines van tijden
die ik niet van voren ken

en in de weerschijn van
de diepdode seinen
vergeet elk gezicht
het mijne




al die vreselijke papieren
verbranden als mieren
onder mijn ogen;
de brandpunten
van de hartekooi
die deze volwassenheid is

want
buiten is de avond geboren
met kleuren uitverkoren
om als voor het eerst
te worden gezien
te worden gedragen

door de binnenvormen
van de kleine lettertjes
blaas ik me een rookgordijn
om te verdwijnen

in een weerzin
die ik niet begrepen wil


SMELTWATER

alles was bevroren
zo ook de strenge tijd
zoals altijd, als iets goed is

in deze witte wereld
was alles weer nieuw en
een grote onbezorgdheid
klom in mij

nestelde als een luiaard
gemaakt, om eeuwig
te blijven hangen

iedereen zoekt, maar
wil geen genade vinden
dus alles smolt en vuilde
terug naar het sleetse grijs

de kleur van routine

laat ons daarom gaan
naar de nieuwe rivier
en de ontdooide wonden
wassen, afgooien, meegeven
aan al dit water onder de brug


LEEG

word ik nog weleens leeg?
leeg
zodat ik vol kan stromen
met alle zoete daadkracht
uit mij neergelegd

loop ik nog weleens vol?
met mijn eigen bloed vergeten
zoals het onvermoeibaar spatte
tegen alle lede ogen steeds

stijg ik nog weleens op?
breek ik met de stenen
aan mijn koude voeten?
door het water gevonden en
gespleten

het heldere water uit de dagen
van het onvermengde luisteren
naar de mannenkoren
van het hart
Site voor de poëzie
van Peter Korsman